ZEVENENTWINTIGSTE EN LAATSTE HOOFDSTUK.
Mijnheer Roorda en mijnheer Heine hadden niet stil gezeten. De
kantonrechter had zijn invloed aangewend bij het Teyler-Fonds om
Rob Felten een beurs te bezorgen. Veel moeite had het hem niet
gekost. Rob had niet alleen door zijn heldhaftig gedrag op de
Osselse Plas maar ook door zijn houding tegenover Carl Heine
zodanige sympathie bij de bestuurders van het Fonds gewekt, dat -
na binnen komst van de rapporten van de rector van het Lyceum, die
zeer gun stig waren - de beurs met algemene stemmen werd
toegekend.
Het was op een avond in begin October dat een grote envelop met het
stempel van het Teyler-Studie-Fonds bij mevrouw Felten werd
bezorgd. Zij had juist zitten rekenen en rekenen en tot haar
teleurstelling gemerkt, dat zij de maand September al weer niet was
uit gekomen. Waarop zij nog verder bezuinigen moest?... Zij wist
het niet! Haar kleine inkomen was nauwelijks genoeg voor hun
tweeën. Rob moest nodig een nieuwe winterjas hebben en uit zijn
ondergoed was hij totaal gegroeid. Extra pleziertjes kon zij haar
jongen nooit verschaffen! Alleen Nora, dat was eigenlijk het enige
grote bezit dat hij had! En zijn twee witte konijnen! Maar Noor was
een heel dure gast! De hond at voor twee en de uitgaven in het
huishoudboekje waren al weer gestegen sinds deze nieuwe huisgenoot
zijn intree in den huize Felten had gedaan. Het was moeilijk, heel
moeilijk om de uitgaven en de inkomsten kloppend te maken. Mevrouw
Felten wist niet hoe het in de winter moest gaan!
Maar nu lag daar die brief met de heerlijke tijding dat aan Rob een
studiefonds van 800 gulden per jaar was toegekend! En dat dat
bedrag zou worden verdubbeld als Rob later aan een universiteit of
de Technische Hogeschool te Delft wou gaan studeren.
Achthonderd gulden per jaar!... mevrouw Felten kon haar ogen niet
geloven!
„Rob! Rob! Kom eens hier!”
Er was een zilveren klank in haar stem toen zij het riep.
Rob kwam van zijn kamertje naar beneden hollen.
„Wat is er?” vroeg hij. En toen ineens verschrikt: „Huil je,
moeder?”
Maar zij lachte blij en gelukkig.
„Lees maar eens, jongen!” zei ze en haar gezicht straalde - on
danks de tranen in haar ogen - van vreugde.
Rob las!
„Achthonderd pop? Achthonderd pop! Wel verdikkie, da’s ’n hoop, hè
moeder?” riep Rob. En toen opeens viel hij haar om de hals, zoende
haar op de wangen en riep:
„Wat fijn hè moeder, wat fijn! Ook voor jou! Nou hoef je niet meer
zo te rekenen, hè?”
Toen Noor Rob en zijn moeder in elkaars armen zag, moest hij er ook
bij. De hond sprong tegen hen op, likte de baas en de vrouw overal
waar hij maar kon.
„Noor, we krijgen 800 pop! Elk jaar, Noor!” riep Rob uitgelaten!
„En jij krijgt morgen ’n pond lever! Niet, moeder?”
En in zijn vreugde rolde Rob met Noor over de grond.
Achthonderd gulden per jaar! Alle zorg was opeens van mevrouw
Felten afgenomen. Zij begreep heel goed waaraan Rob die grote
studiebeurs te danken had. Maar wat Rob en zijn moeder niet wisten
en ook nooit te weten zouden komen, was dat mijnheer Heine aan het
Teyler Fonds een som had doen toekomen, groot genoeg om het bedrag
hetwelk het bestuur van Teyler Rob Felten had toegedacht, te kunnen
verdubbelen. Daarmee loste de kantonrechter een deel in van de
schuld die hij tegenover Rob Felten meende te hebben.
Maar dat was slechts een deel! Want niet alleen Carl Heine, ook
de andere jongens hadden iets tegenover Rob Felten goed te maken.
Dat had mijnheer Roorda dadelijk begrepen en hij had daarom de
jongens van de klas bij hem thuis laten komen en hun zijn plannen
meegedeeld.
„Mijnheer Heine en ik” - zo had hij gezegd - „zijn van plan Rob
Felten en Petersen een gouden horloge met inscriptie aan te bieden
voor hun redding van Carl en Ben op de Osselse Plas! Maar nu heb ik
dat bedacht, jongens. Veel blijer nog dan met het horloge zal Rob
waarschijnlijk zijn met een cadeau van zijn kameraden! Ik meen van
alle jongens die hem voor de vacantie hebben doodverklaard. Nu
wilde ik dit aan jullie voorstellen. Bij dat horloge van Rob
behoort een gouden ketting en die ketting, die moet hij van jullie
hebben. Zc hoeft niet helemaal van jullie te zijn. Wat er aan te
kort komt, zullen meneer Heine en ik wel bijbetalen. Maar als elke
jongen - laten wij zeggen - hoogstens vijftig cent er aan
bijdraagt, dan kunnen wij het hem aanbieden als een cadeau van zijn
klas. Een gouden schakel- ketting, dat is een symbool van eeuwige
vriendschap, jongens! En ik meen dat Rob Felten na alles dat er
gebeurd is, dat bewijs van vriendschap wel van jullie mag
ontvangen.
Een luid „hoera!” was het antwoord geweest.
„Dan nog één ding, jongens! Monden dicht!” had mijnheer Roor da
gezegd. „Wie het vertelt is ’n mispunt! Het moet ’n verrassing
blijven! Mijnheer Heine en ik zullen een feestavond organiseren en
op die avond zullen wij hem en z’n vrind Petersen het geschenk aan
bieden . Kan ik er opaan, dat niet een van jullie iets van het plan
aan Rob Felten verraden zal?”
„Ja, ja, ja!” klonk het van alle kanten.
„En laten jullie het verder aan mij over?”
„Ja, ja, ja!” klonk het weer.
„Dan weet ik het wel! Tot Zaterdag over veertien dagen in de
bovenzaal van de Karseboom!”
Tien dagen later ontving Rob Felten een gedrukte kaart met de
uitnodiging om op Zaterdag 25 October met zijn moeder in de
bovenzaal van de Karseboom op een feest, dat de heren Roorda en
Heine die avond dachten te geven, te komen.
En er stond bij dat zij met een auto zouden worden afgehaald.
En diezelfde dag werd een dergelijke kaart ook op Tjot Idi be
zorgd, waarbij de „WelEdelGeboren Heer Dirk Petersen, Ridder 4e
klas der Militaire Willemsorde, jachtopziener te Ossel” voor dat
feest werd uitgenodigd.
„Hè, wat zal ik nou hebben?” zei Petersen, toen hij de kaart las.
Hij wreef zich de ogen uit en hij zei tegen de postbode:
„Zeg Jochems, weet jij wel wat ik ben?”
„Jachtopziener!” had de postbode lachend geantwoord.
„Dat dacht je maar!” lachte Petersen.
Toen ging hij in de militaire houding staan en zei:
„Ik ben een weledelgeboren heer! En nou jij?”
Jochems proestte het uit van het lachen.
„Wil je het niet geloven? Alsjeblieft! Lees dan maar zelf!” en hij
duwde de postbode de invitatiekaart onder zijn neus.
„Hier lees: WelEdelGeboren Heer Dirk Petersen!” Dat wist je niet,
hè, postbode van niks! Ik wist wei dat ik geboren was, maar wel
edel? Dat mot je niet uitvlakken!”
En hij had met Jochems een extra oorlam gedronken ter ere van de
„WelEdelGeboren Heer Dirk Petersen, de jachtopziener van
Ossel!”
Het was de avond van het feest!
Het bovenzaaltje van de Karseboom was stampvol! Niet alleen de
jongens van de tweede en derde klas waren present, ook de „Ouwe"
was met alle leraren verschenen. Maar het meest verwondering had de
komst van Jan en Jaap Kroon bij de jongens verwekt. Zij waren
expres overgekomen en logeerden bij Bram Hoevers. Want nu Jan en
Jaap Kroon hadden gehoord dat Rob Felten geheel onschuldig was, nu
hadden zij er op gestaan op deze avond ook tegenwoordig te zijn. En
zij hadden ieder hun vijftig cent gestuurd, omdat ook zij wilden
bijdragen aan het cadeau dat door de jongens aan Rob Felten werd
aangeboden.
Voor het toneel zat een jazzband, die sloeg en blies en streek dat
het een lieve lust was. En op het toneel stond een tafeltje met een
groen kleed, waarop twee doosjes, die daar door meneer Roorda waren
gedeponeerd.
Er heerste een merkbare spanning in de zaal. Het wachten was op de
twee feestvarkens, Rob Felten en Dirk Petersen.
Mijnheer Roorda was met een auto naar het huis van mevrouw Felten
om ze af te halen.
Precies om 8 uur zouden zij komen.
Dolf Reevers stond beneden in de gang bij de deur met een grote
bouquet chrysanten in zijn hand. Als beste vrind van Rob was hem
opgedragen mevrouw Felten bloemen aan te bieden.
„Komen ze er al an?” riep Bram Hoevers naar beneden.
„Nee, nog niet! Ik zal jullie wel waarschuwen!” schreeuwde Dolf van
beneden.
Toen ineens klonk het getoeter van een claxon.
„Daar heb je ze! Daar heb je ze!” riep Bram. Alle jongens ston den
tegelijk recht! Het werd stil in het zaaltje. Er heerste een grote
spanning!
Toen trad mijnheer Roorda met mevrouw Felten aan de arm bin nen.
Mevrouw Felten droeg de bloemen in haar hand. Achter hen aan kwamen
Petersen en Rob.
Een donderend „hoera!” steeg tegelijk uit alle kelen. En daarop
zette de pianist in: „Lang zal ie leven”, en de jongens - ja zelfs
de „Zure” en Bor - die ook gekomen was - zongen mee, alsof hun
longen er uit moesten.
Mevrouw Felten was spierwit. Tranen stonden in haar ogen en do
bouquet trilde in haar hand,
Petersen had een deftig zwart pak aan, dat hij zich de vorige dag
bij Peek en Cloppenburg expres voor het grote feest had laten aan
passen. En zijn handen waren in wit garen handschoenen gestoken.
Hij zag er wonderlijk deftig uit. Maar op zijn borst hingen grote
ridderkruisen en medailles: de militaire Willemsorde, een eervolle
vermelding, een zilveren medaille voor trouwe militaire dienst en
een scherpschutterskruis. De jongens keken er vol eerbied naar.
Rob wist eigenlijk niet hoe hij kijken moest. Hij had een hoofd als
een boei en hij zou het zeker maar „half lollig” hebben gevonden,
als zijn vrind van Tjot Idi niet naast hem had gestaan.
Onder het „Lang zullen ze leven in gloria!” hepen zij door de zaal
naar het eretafeltje, dat vlak bij het toneel was neergezet.
Opeens zag Rob tot zijn grote verbazing Jan en Jaap Kroon.
„Hoe komen jullie hier?” vroeg hij verrast.
„Nou, we wilden er bij zijn!” antwoordde Jaap.
„We zijn d’er expres voor overgekomen!” zei Jan.
„Da’s verduveld leuk, zeg!” zei Rob en hij schudde de vijanden van
enige weken geleden stevig de hand.
Jan en Jaap schudden nog harder dan Rob.
De jazzband zette het Lyceumlied in en aan alle tafeltjes zongen de
jongens staande het schoollied mee.
Toen de laatste tonen waren uitgeklonken, betrad mijnheer Roor da
het toneel. Een stilte viel in de zaal.
„Mag ik de heer Petersen en Rob Felten verzoeken ook op het toneel
te komen?” sprak hij.
„Meneer Petersen!” zei Dirk zacht tegen Rob. „Dat mot je niet
uitvlakken! Deftige boel vanavond, zeg!”
Achter elkaar stapten zij het podium op, Petersen en Rob. Zij
stonden er naast elkander - Petersen met zijn ridderkruisen en
medailles op zijn borst, de witte garen handschoenen aan, Rob in
zijn nieuwe donkerblauwe pak - als twee feestvarkens.
Even kuchte mijnheer Roorda zenuwachtig. En daarna sprak hij:
„Geachte aanwezigen, Mevrouw Felten, Petersen en Rob! Het is mij
een bijzondere vreugde om allen op deze gewichtige avond hier
welkom te heten! Ik behoef u eigenlijk wel niet te zeggen waarom
wij hier zo feestelijk bij elkander zijn. Ik heb alleen maar te
wijzen op deze man met zijn ridderkruis en op Rob Felten die naast
hem staat om u de betekenis van deze avond te doen gevoelen. Wij
zijn hier bij elkaar gekomen om twee helden te eren! Ja, ik zeg en
herhaal: twee helden! Ik wil hier niet uitvoerig in herinnering
brengen wat er op die voor mij en mijn vrouw vooral zo vreselijke
middag op de Osselse Plas is gebeurd. Wij weten het allen! Met
gevaar voor eigen leven hebben Petersen en Rob Felten met hun
honden zich toen te water begeven om twee van hun medemensen te
redden. Wanneer zij er niet waren geweest, dan… dan...” de heer
Roorda kon plotse ling niet verder. De aandoening werd hem te
machtig. Hij dronk een slok water.
„Ik acht het een voorrecht” - ging mijnheer Roorda even later door
nadat hij zijn neus had gesnoten, „dat ik als vader van een der
twee geredde jongens deze avond tot jullie beiden, Petersen en Rob,
namens allen hier in de zaal het woord mag voeren! Als vader” -
weer moest de heer Roorda even wachten en wat wegslikken - „als
vader kan ik jullie nooit genoeg danken voor wat jullie hebt
gedaan! Maar nu moet ik spreken namens allen die hier tegenwoordig
zijn om jullie hulde, warme hulde te brengen voor jullie daad van
moed en mensenliefde! Wij meenden onze dank niet alleen in woorden
te moeten uiten, maar hier ook een stoffelijk blijk als teken van
onze bewondering en dank daaraan te moeten toevoegen! Mag ik daarom
aan jou, Petersen, als aandenken dit gouden horloge aanbieden
namens mijnheer Heine en mij! In het horloge zijn de woorden ge
graveerd: „Aan Dirk Petersen, ter herinnering aan zijn heldhaftige
daad op de Osselse Plas.”
Ik hoop dat gij dit horloge met uw andere eretekenen nog heel lang
zult mogen blijven dragen. Daden zoals gij hebt verricht, zullen de
jongens die hier aanwezig zijn, aansporen uw voorbeeld van
mensenliefde en moed te volgen!”
Oorverdovend was het „hoera!” dat na deze woorden van alle kanten
losbrak en het duurde heel lang voordat de heer Roorda verder kon
gaan.
„En nu kom ik tot - ik mag wel zeggen - ons aller vrind Rob Felten!
Een jongen die op zo jeugdige leeftijd een zo heldhaftige redding
verricht, is een uitzondering! Heel onze stad heeft er met
verwondering en bewondering tevens van gehoord! Jouw kranige,
heldhaftige daad, Rob, zal in de annalen van het lyceum als iets
heel bijzonders worden ingeschreven. De rector en alle leraren zijn
er trots op zo’n flinke kerel onder hun leerlingen te tellen!”
En hoe de jongens over je denken, welnu jongens, jullie zelf kunt
het beter uiten dan ik. Laat het maar eens horen!”
Een nieuw donderend „hoera!” volgde op deze woorden.
„Ook jou bieden wij - evenals aan Petersen - ter herinnering aan je
kranige daad een gouden horloge met inscriptie aan! Maar dat is nog
niet alles! Dit uurwerk is aan een ketting bevestigd, een gouden
schakelketting, die voor jou misschien nog meer waarde zal hebben
dan het horloge! Want die ketting, Rob, is een geschenk van alle
jongens - ik zeg van alle jongens uit je klas, zelfs Jan en Jaap
Kroon die niet meer op school zijn, hebben gevraagd er aan mee te
mogen doen. Zij wilden allen gezamenlijk je tonen welk een eerbied
ze voor je hebben en ook nog iets anders” - weer slikte de heer
Roorda wat weg - „maar daar praat ik hier verder niet over! Die
schakelketting is ’n symbool van vriendschap, van eeuwige
vriendschap! Rob, kerel, daar ga je!” en mijnheer Roorda schudde
Rob’s beide handen zo warm en hartelijk, dat dit meer nog zei dan
woorden.
Alle jongens waren opgesprongen en schreeuwden en gilden: „Hoera!
Hoera! Leve Rob!”
Toen zette de jazzband in - en brullend zong heel het koor mee:
Aan haar tafeltje — vlak bij het toneel — naast mijnheer Van der
Mey, de rector, zat mevrouw Felten, bleek en geheel onder de
indruk.
De Ouwe drukte haar zwijgend de hand. De tranen vloeiden haar langs
de wangen. Zij kon niets zeggen.
Na de heer Roorda stapte Dolf Reevers moedig het toneel op. Hij
droeg een geheimzinnig pak in een bruin papier.
Rob lachte genoegelijk toen hij Dolf zag.
„Hm! Hm!” kuchte Dolf. Daarop trok hij aan zijn boordje en kuchte
weer.
„Rob, kerel, ik kan helemaal niet speechen, maar ik wou je toch
even zeggen dat ik deze avond verduveld fijn en lollig voor je
vind! Van het geld dat we nog over hadden, hebben wij iets gekocht
voor Noor, want die mag er ook wel wat van hebben! Hier heb je ’n
kope ren erepenning om aan z’n halsband te hangen met de woorden:
„Noor, de mensenredder”. En dan nog wat ie vast en zeker veel beter
vindt, ’n Pond paardenbiefstuk! Asjeblieft!” en tegelijk stopte hij
Rob het pakket in zijn hand.
Petersen en Rob meenden dat het nu gedaan was en zij wilden al het
toneel verlaten, toen opeens de rector het trapje opkwam en met een
breed gebaar om stilte verzocht.
„Na de woorden door mijnheer Roorda en Dolf Reevers gespro ken, mag
zeker de Ouwe ook nog wel wat zeggen! Mijnheer Roorda had gelijk,
Rob, toen hij zeide, dat jouw daad als iets heel bijzonders in de
annalen van het lyceum zal worden ingeschreven. Ik weet dat jongens
er niet van houden om in het openbaar te veel geprezen te worden en
ik zou daarom misschien niet eens hier op het toneel zijn gekomen,
als ik niet iets heel gewichtigs had mee te delen, iets, dat ik
alleen nog maar weet! En dat is dit! Het heeft Hare Majesteit onze
Koningin behaagd aan Dirk Petersen en aan Rob Felten wegens hun
moedige daad op 1 Augustus de bronzen medaille voor het met
levensgevaar redden van drenkelingen toe te kennen!”
Het was plotseling, of de jongens de zaal zouden afbreken. Oor
verdovend werd nu het lawaai. Zij trapten met hun voeten, zij
sloegen op de tafels, zij schreeuwden en brulden - het werd een
hels spektakel en het duurde minuten voordat de rector door kon
gaan.
„Ik was tijdig gewaarschuwd en heb er dus op gerekend!”
Uit twee doosjes haalde de rector twee medailles te voorschijn.
„En nu wil ik even nog een heel ernstig woord zeggen tot mevrouw
Felten. Mevrouw, ik acht het een werkelijk voorrecht de zoon van
luitenant Felten, de kranige Indische officier, hier deze
Koninklijke zo zeer verdiende onderscheiding op zijn borst te mogen
spelden! En ik acht het een dubbel voorrecht deze medaille naast de
Militaire Willemsorde te mogen hechten op de borst van Dirk
Petersen, de oud-soldaat, die zijn ridderkruis op Atjeh tegelijk
verdiende met de vader van de jongen, die wij hier nu huldigen.
Jongens, ik verzoek jullie nu eens niet te schreeuwen. Daarvoor is
dit ogenblik te plechtig. Ik vraag jullie om staande te zingen het
enige lied dat bij deze onderscheiding past: het Wilhelmus!”
En breed en fors klonk - terwijl de Ouwe Petersen en Rob de
medailles op de borst spelde, uit ’n honderd kelen:
Rob stond te trillen op zijn benen. Hij keek even naar zijn moe
der, die bleek naar hem opzag.
En Petersen? De oud-soldaat stond te beven als een riet. Hij had
het te kwaad. Hij beet zich maar aldoor op zijn snor en knipte met
zijn ogen alsof hij in het felle zonlicht stond te turen.
En toen hij merkte dat er - ondanks zijn pogingen om het te be
letten, toch waarachtig een traan naar buiten kwam, zei hij tot
grote verbazing van de Ouwe opeens:
„Verroest!”
Maar plotseling greep Petersen de hand van de rector en hij
zei:
„Meheer, ik kan niet zo mooi praten as jij, maar ik mot even toch
zeggen dat ik dat mooi van je vond, verduveld mooi, dat wat je zei
van luit’nt Felten. Daar heb je goed an gedaan! Ik zeg... ik zeg
... ik zeg niks meer, maar dat was ’n woord naar m’n hart, dut wou
’k maar zeggen!”
De Ouwe drukte Petersen lachend de hand.
„Dan ben ik dubbel blij dat ik het gezegd heb!” zei hij met
warmte.
En toen riep hij:
„Jongens, en nou de tafels en stoelen opzij! Nou gaan we op mili
taire wijze met de muziek voorop defileren voor Petersen en Rob
Felten!”
In een oogwenk stonden alle tafeltjes en stoelen tegen de muur.
De jazzband ging naar het midden van de zaal en zette een mars in
en met de Ouwe en mijnheer Roorda aan het hoofd, trok heel de bende
langs het toneel, allen zingende en zwaaiende met hun armen, als
zij het toneel waar Petersen en Rob naast elkander stonden,
passeerden.
Petersen beefde weer als een riet en knipperde al maar met zijn
ogen.
„Achttien jaar geleden stond ik in Kota Radja net zo naast je
vader, Rob! En nou naast z’n zoon! ’t Kan toch raar lopen in de
wereld, hè?”
„Verroest!” zei hij opeens weer, toen er opnieuw zo’n traan naar
buiten drong.
Rob zag ze voorbij trekken, de leraren en de jongens, schreeuwend
en wuivend. Achter Dolf, Ben en Pim liepen gearmd Jan en Jaap Kroon
en Bram Hoevers en Rob hoorde hen roepen: „Hoera! Leve Rob!”
Op zijn borst hing de medaille van de Koningin, daaronder de gouden
ketting van de jongens. En in zijn zak zat het horloge! Hij wist
niet waar hij het meest blij mee was.
Het leek alles wel een droom, maar dan toch een heel mooie.
Toen klopte Petersen hem op de schouder en zei:
„Nou, Rob, daar kenne we ’t vanavond mee doen, hè?”
Rob knikte.
Dit was de heerlijkste dag van zijn leven.